A sentimental journey

‘Nou, jij draagt ook je hart op je tong! Jij bent echt een gevoelsmens zeg!’ Dit soort opmerkingen hoor ik vaak. De woorden ‘te veel’ zeggen ze er niet bij, maar dat denken ze soms wel. 

Emoties tonen wordt vaak gezien als een zwaktebod. Zeker in een professionele setting. Tegelijkertijd is de stelling te verdedigen dat ‘gelukkig zijn’ een van de alles overkoepelende menselijke ambities is. Een gelukkig leven leiden, dat wil iedereen wel. Hoe kan het dat we op emoties aan de ene kant zo neerkijken, terwijl we er aan de andere kant een groot deel van ons leven aan wijden om ze na te streven?

In mijn komende blog wil ik drie vragen beantwoorden die hier mee te maken hebben:

  1. Wat zijn emoties?
  2. Zijn emoties slechter dan rede? Of is het juist andersom?
  3. Hoe laten we emotie en rede goed samenwerken?

Voor vandaag: wat zijn emoties eigenlijk? Want hoewel we allemaal een gevoel hebben bij het woord (haha), is het nog niet zo makkelijk om te definiëren wat een emotie is. Sommigen zeggen dat emoties uit je hart komen, of uit je onderbuik. Anderen stellen (al dan niet cynisch) dat al ons gedrag, dus ook ons emoties, wordt aangestuurd door onze hersenen. Emoties zijn dus eigenlijk hetzelfde als rede, maar dan op de automatische piloot.

Toch is dat niet het hele antwoord, want die automatische piloot in mijn hoofd zorgt ook dat ik blijf ademen. En dat ik slik, knipper en allemaal andere automatische functies blijf uitvoeren. Onzichtbaar, onmerkbaar, maar ook – zo merken we als iets het even niet meer doet – onmisbaar. Maar hoe onmisbaar ook, die automatische functies van ons hoofd zijn geen emoties, terwijl we wel kunnen stellen dat emoties automatische functies zijn van ons hoofd. Wat maakt emoties dan speciaal en anders?

De beste definitie is (volgens Joshua Green in het boek Moral Tribes): emoties zijn automatische functies die ons tot actie aansporen. Klinkt nog steeds bijzonder klinisch en weinig ‘emotioneel’ he? Maar als je er even op kauwt, lijkt het een eind in de goede richting te komen. Neem nu angst. Een emotie die onmiddellijk oproept tot een ‘vlucht of verstijf’ actie. Of verliefdheid. Of woede. Allemaal automatische functies van ons brein, en ze roepen allemaal in meer of mindere mate op tot actie.

De combinatie van automatische functie en actie wordt goed zichtbaar als je ziet hoe ons lijf reageert op een aantal emoties. Zie deze still uit de course ‘Empathy and Emotional Intelligence at Work‘ van BerkleyX (via EdX).

Emoties zijn automatische functies van onze hersenen die tot actie oproepen. Maar waarom? Hoe komt het dat we ze hebben? Hebben ze een doel? Of hadden ze in ieder geval een helder doel toen we ze bedacht hebben? Volgens Joshua Greene, de bedenker van de hierboven genoemde definitie, hebben emoties een zeer duidelijk doel: ze faciliteren de overgang van ‘ik’ naar ‘wij’. De mens is als soort uniek in zijn capaciteit tot samenwerken. Wij kunnen als soort de ‘tragedy of the commons’ – een klassiek dilemma uit de sociologie – overkomen. Dat kunnen andere diersoorten niet of veel slechter.

Wat is de ‘tragedy of the commons’ dan, en hoe helpen emoties daarbij? De tragedy is een klassieke samenwerkingscasus: in een dorp is een groot weiland. Daar kunnen koeien gehouden worden. Iedere bewoner mag daar zijn of haar koeien laten grazen, het weiland is een gemeenschappelijk stuk land. Hoe zorgt het dorp ervoor dat het veld niet te vol komt met koeien en al het gras opgegeten wordt? 

Deze tragedy is een belangrijke basis voor veel samenwerkingstheorieën. De rol van emoties bij al deze theorieën is volgens Greene dat emoties een hele snelle manier zijn om de regels van de samenwerkingstheorieën uit te voeren. Denk aan angst of woede als je een vreemdeling ziet, die zijn koe uitlaat op jullie terrein. Denk aan de genegenheid die je als gemeenschap opbouwt, waardoor je sneller geneigd bent om als individu niet stiekem te veel koeien op het weiland te gaan houden. Emoties zijn hele snelle en effectieve manieren om een groep samen te laten werken.

Wat nu het lastige is van die emoties, is dat om dat te doen, ze een enorme voorkeur hebben voor ‘wij’. Dat wil zeggen: we lezen emoties veel makkelijker bij mensen die op ons lijken, dan bij mensen die niet op ons lijken. Sterker nog: onze ‘alerte’ emoties (achterdocht, wantrouwen) worden sneller getriggerd door mensen met kenmerken waarmee ze zich zichtbaar onderscheiden van de groep waar we bij horen. Denk aan mensen met een voetbaltenue van de ‘tegenstander’. Of denk aan hoe alert je bent als je ‘s avonds op straat bij het rondje met de hond iemand tegenkomt die je niet herkent, tegenover hoe je je voelt als je de buurman tegenkomt. Deze reacties, deze emoties, gaan instinctief en automatisch. Om een ‘wij’ te creëren, groepsgevoel te maken, hadden onze emoties een ‘zij’ nodig. Een tegenpartij. Een antagonist.

De vraag is wat de implicatie is van deze uitgebreide definitie van emoties. Zijn emoties onze redding of onze ondergang? Zijn ze datgene wat ons tot goede samenwerkende mensen maakt of maken ze wantrouwende racisten van ons? Moeten we onze emoties onderdrukken ten faveure van onze ratio? Of moeten we onze instincten juist omarmen?

Volgende blog ga ik dieper in op deze vervolgvragen.

Altijd gelijk hebben

De afgelopen maanden in mijn onderzoek, heb ik stapels boeken verzameld. Een deel op mijn e-reader, maar ik kwam er achter dat ik het toch het fijnst vond om papieren boeken te verslinden. En zo liggen er op mijn bureau stapels ‘echte’ boeken. Sommige al gelezen, sommige nog te wachten op (her)lezing.

Een van die boeken was een boek met de prachtige titel ‘How to make good decisions and be right all the time‘. Dit boek stond voor afgelopen week ‘op de rol’ – ik probeer minstens één boek per week van de linker ‘nog te lezen’ stapel naar de rechter ‘al bestudeerd’ stapel te krijgen. Ik had er zin in om het te gaan lezen, omdat ik, zeker ook gezien mijn blog van vorige week over moraal, behoorlijk op zoek ben naar de grijstinten en helderheid rondom dit onderwerp. Moraal boeit me enorm.

Ik had verwacht dat de titel ironisch was. Immers: alles wat ik tot nog toe gelezen had, had me gesterkt in de mening die ik vorige week in mijn blog uitte: moraal is vol grijstinten en het is bij morele meningsverschillen vrij lastig om een bepaald gezichtspunt ‘beter’ te vinden dan het andere gezichtspunt. Altijd gelijk hebben dus, zoals het boek beloofd, leek mij een utopie (ook een mooi boek trouwens, moet maar eens op de ‘nog te (her)lezen’ stapel).

Kaart van Tomas More’s imaginaire land ‘Utopia’.

Grappig genoeg bleek al lezen heel snel dat de auteur het NIET ironisch bedoelt. Hij is daadwerkelijk op zoek naar ‘ware moraal’. Zoals de schrijver Iain King beargumenteert, hebben we in de natuurkunde met revolutie van Newton (je weet wel, die appel die op zijn hoofd viel) een zekerheid gevonden die aanlokkelijk is. Sinds Newton kennen we de wetten van de zwaartekracht, van de tijd en de ruimte (ja ik weet het, mijn natuurkundige hart ging hier al in de weerstand en ik bleef ‘en Einstein dan?!’ roepen naar het boek’). En dat geeft ons zekerheid.

De filosofie, en zeker de morele filosofie, had zo’n Newtoniaanse revolutie nodig, stelt King. Om dit duidelijk te maken, start hij het boek met een drietal vrij klassieke morele dilemma’s. Ik zal er hier eentje beschrijven:
Sven woont in een land waar een dictator de baas is. Het is wreed regime dat overeind gehouden wordt door de berucht meedogenloze politie. Hij krijgt een baan aangeboden bij deze poltiemacht. Sven haat het regime, maar hij weet dat als hij de baan niet neemt, dat Erik de baan zal krijgen. Erik is een persoon die geniet van het doen van nare dingen. Moet Sven de baan aannemen en zo helpen het wrede regime overeind te houden? Of moet hij Erik de baan laten nemen, wetende dat Erik heel hard zal gaan werken voor deze politie en dat Erik de politie nog meedogenlozer zal maken?

Om vast te stellen dat er een juist antwoord is op dit dilemma, besteedt hij 230 pagina’s aan het stelselmatig poneren en ‘bewijzen’ van een universele morele theorie. Ik zet bewijzen tussen aanhalingstekens, want ja, ik was niet overtuigd. Als King Sherlock Holmes van stal haalt om morele theorieën te bewijzen, word ik wat ongemakkelijk (‘het is een imaginair persoon King!!!’ Ik bleef schreeuwen naar dat boek). Als de auteur ‘bewijst’ dat het doel van het leven het genereren van waarde is, door te stellen dat de argumentatie weliswaar geen rekening houdt met de mogelijkheid dat het leven helemaal geen (of geen helder te formuleren) doel heeft, maar dat in dat geval de hele redenering zinloos is, dus dat dat stukje net zo goed buiten beschouwing gelaten kan worden, word ik wanhopig. Het boek staat vol met cirkelredeneringen, post hoc propter hoc stellingen en meer onzinnige stelregels. ‘Bewijzen’ wordt bij King meer een soort ‘doodgooien met stellingen’. Ik was niet overtuigd (zoals jullie merken).

Maar goed, ik dacht bij mezelf: weet je, hoe hij er ook aan komt, misschien ben ik te streng. Misschien lees ik het als een wetenschappelijk boek waaruit alle noten en bronvermeldingen toevallig zijn weggevallen. Maar moet ik het meer lezen als een praktisch zelf-hulp boek. Laten we zien waar hij mee komt, wellicht kan ik zijn richtlijnen over hoe goede beslissingen te maken, nog best gebruiken.

King eindigt met 20 richtlijnen voor het maken van goede beslissingen. Op zich klinken de meeste nog niet eens zo naar. Bijvoorbeeld: ‘Heb empathie, en wees trouw aan je verplichtingen’, of ‘Help anderen met nederigheid en wees dankbaar voor de hulp die je krijgt’. Allemaal vrij standaard morele teksten, die je ook historisch gezien in zelfhulp boeken en religieuze teksten tegen komt. Sommige anderen geven me echter wel kippenvel: ‘Communiceer zodanig dat mensen handelen op een manier is die optimaal is voor de reële omstandigheden’ bijvoorbeeld. Of ‘Laat mensen zelf kiezen, behalve als je hun belangen beter weet dan zijzelf’.

Maar de ‘proof of the pudding’ zogezegd komt als we weer terug zijn bij Sven. Want King heeft uiteindelijk een antwoord voor deze man in dit vrij dramatische dilemma. ‘Nu weten we’, schrijft King, ‘dat Sven de baan WEL moet aannemen. Het zou egoïstische ijdelheid zijn om te weigeren zijn handen vuil te maken. En terwijl hij iets slechts doet om te voorkomen dat andere mensen nog slechtere dingen doen, moet hij zijn grotere doel voor ogen houden: het omver werpen van het wrede regime’.

King gaat verder met een voor mij nog verbazingwekkendere zin, dan voorgaande advies: ‘ Wat speciaal is aan dit advies, is dat het meer is dan advies. Dit is het Juiste Antwoord (hoofdletters van de schrijver). Het is geen kwestie van mening, het is de waarheid.’

Wow… Toen ik daar was viel ik even stil. Ik twijfelde eraan om het boek uit het raam te gooien. En toen besefte ik me: dit boek is voor mij het beste bewijs van de noodzaak van mijn onderzoek. Mensen die niet zoeken naar twijfel, naar niet weten, lopen uiteindelijk altijd (of in ieder geval heel vaak) dit soort fuiken in. Een redenering die logisch lijkt aan het begin, leidt als je hem rigide en monomaan uitvoert, bijna altijd tot een onzinnige, excessieve of in ieder geval twijfelachtige uitkomst. Er is geen waarheid. Hoofdletters ten spijt…

Dit boek blijft dan ook op mijn stapel. Wellicht wel op een ereplek. Omdat het voor mij een belangrijk punt in mijn onderzoek markeert. Gisteren – het boek was net uit – heb ik mijn eerste overleg gehad met een collega om alles wat we weten over twijfel, van mening veranderen, niet weten, morele waarheden en de invloed van je emotionele olifant, om te gaan zetten in trainingen. Een training ‘comfortabel niet weten’. Een training ‘interdisciplinair werken vereist interdisciplinair kijken’. Een dialoog training voor middelbare scholen, ter vervanging van de huidige debat training. En zo hebben we nog wel 10 andere ideeën.

Overigens hebben we gisteren onszelf wel beloofd, dat als iemand het niet eens is met onze ideeën voor trainingen, of het anders wil, dat we dan ten alle tijden de rust en ruimte pakken om te zeggen: O ja? Wat interessant! Vertel ons jouw idee! Niet weten is vooral ook practise what you preach. Een training bouwen die gebaseerd is op dat uitgangspunt, is wellicht een uitdaging 😉 Maar daar gaan we voor!

Waarheid en Juistheid lopen een bar binnen, deel 2

Vorige week  (ok, dat is niet waar, het is ruim twee weken geleden, ik zag op tegen deze blog en heb het steeds uitgesteld) vertelde ik over de glibberigheid van de waarheid. Waarheid is stiekem helemaal niet zo waar. Waarheid is een status die we geven aan zaken die door een complex systeem van waarnemingen, heuristieken en vooroordelen heen gesijpeld zijn. Ondanks dat systeem, is waarheid voor ons zo belangrijk dat we er oorlogen over voeren. Met geweren, op de snelweg of op social media. 

Waar we ook oorlogen over willen voeren, wellicht nog wel meer dan over waarheid, is over juistheid. Morele afwegingen zijn absoluut: stelen is slecht, iemand redden van de verdrinkingsdood is goed. Ondanks de trucjes die filosofen met ons proberen te spelen (google maar eens op het trolleyprobleem), twijfelen we nooit – of bijna nooit – aan onze morele afweging. Juistheid is… gewoon juist?

Helaas geldt voor juistheid ongeveer hetzelfde als voor waarheid: we zitten gewoon weer te sturen op onze olifant. Onze eerste instinctieve reactie komt vanuit onze heuristieken, onze emoties, ons instinct. Zo heb ik – als links antiautoritair opgevoed meisje – een instinctieve positieve reactie op acties die voor een beter klimaat ageren. Zelfs als mijn zoon van 13 wil spijbelen en met klasgenootjes naar Den Haag wil gaan reizen, reageer ik dus volautomatisch positief. Om er vervolgens achter te komen dat ik het best een dingetje vind, zo’n kind alleen in een volle trein naar Den Haag en demonstrerend in een mensenmassa. Om over dat spijbelen nog maar te zwijgen…

Foto uit NRC artikel over de klimaatmars in Den Haag.

De reden dat ik dit allemaal goedgevonden heb, is dat ik het opvoedkundig zeer belangrijk vindt dat mijn zoon leert omgaan met dit soort zaken. Dat hij opkomt voor zijn mening. Dat hij afwegingen maakt tussen zich aan de regels en gebruiken houden, en een punt maken dat zo belangrijk is dat het niet volgens de regels kan. Tenminste, dat hou ik mijzelf voor. De redenaties van mijn berijder zijn integer, goed te volgen en zeer rationeel. Helaas zijn het fabricaties van mijn hoofd, en heeft het niets te maken met de reden dat ik zei ‘natuurlijk mag je gaan demonstreren’. Mijn olifant ging linksaf op het moment dat hij hoorde ‘het is voor een beter klimaat’ en mijn berijder kon niet veel anders dan meegaan en een verhaal verzinnen.

Hoe had ik gereageerd als mijn zoon had willen demonstreren voor een strikter immigratiebeleid? Of voor soepelere regels rondom de leeftijdgrens rondom games en films? Had ik dan net zo natuurlijk gezegd: zeker, het is belangrijk dat je leert hoe dat werkt, demonstreren? Of had ik toch anders gereageerd?

Juistheid en waarheid, het zijn al met al maar onbetrouwbare bakens om je leven op in te richten. Ze sturen absoluut mijn handelen, maar de vraag is in hoeverre ik dat moet laten gebeuren. Want als het eigenlijk olifanten zijn die instinctief reageren, waarom is mijn waarheid en juistheid dan beter dan die van een ander?

Jonathan Haidt beschrijft in zijn boek ‘the righteous mind’ dat alle moraliteit bestaat uit dezelfde zes ingrediënten. Ik heb het hier eerder al over gehad. De mate waarin we de ingrediënten belangrijk vinden, wisselt tussen groepen. Maar volgens de beschrijving van Haidt zit er minder licht tussen al onze verschillende versies van Juistheid, dan we denken. 

De zes elementen van Juistheid, volgens Jonathan Haidt.

Als dit zo is, als deze beschrijving klopt, wie kan er dan nog een beroep doen op morele superioriteit? Wiens kompas is dan het meest zuiver? Ik begon mijn onderzoek ruim een half jaar geleden met de stelling dat we allemaal denken Frodo te zijn, maar dat volgens de regelen van het verhaal tenminste de helft van ons eigenlijk orks waren. Maar is dat zo? Hoeveel echt slechte mensen ken ik eigenlijk? Zijn onze moraliteiten wel echt zo verschillend, zo makkelijk te scoren op een ‘goed’ en ‘slecht’ meetlat?

Terwijl ik de vorige alinea opschrijf, wordt het in mij onrustig. Want ondanks dat ik geloof in de beschrijving van Haidt, ondanks dat ik veel wijsheid zie in een beschrijving van moraliteit als een algemeen gedeeld concept met verschillende prioriteiten tussen groepen, is het lastig om mijn onderbuik te verenigen met de consequenties. Want moraliteit raakt me, op een diep niveau.

Een ander voorbeeld om dit te illustreren. Weer over mijn zoon (sorry! Vooral voor hem…). Hij was ooit klein, drie of vier jaar, toen we dit gesprek hadden: 
Zoon: ‘Mama? Ik weet wat ik later wil worden!’ 
Ik: ‘Wat dan lieverd?’ 
Zoon: ‘Nou weet je, eerst wilde ik brandweerman worden’.
Ik: ‘Ja dat weet ik nog’.
Zoon: ‘Maar weet je, dat is heel veel werk. Dus nu word ik denk ik pyromaan’.
Ik: ….

Er zitten veel mysteries in deze korte uitwisseling. Bijvoorbeeld: hoe komt hij in vredesnaam aan het woord pyromaan? (bleek uit een Efteling liedje te komen). Maar op het moment zelf was mijn overweldigende gevoel er eentje van onmacht en een beetje wanhoop. Hij was – en is – een slim kind. Zijn redenering dat een vuur aansteken minder werk is dan het te blussen, was lastig onderuit te halen. Maar tegelijkertijd zag ik voor mijn geest waar dit kon eindigen, als hij zijn slimheid bleef ontwikkelen zonder ‘morele richtlijnen’. Of in ieder geval zonder morele richtlijnen die ik goed genoeg vond.

Dus voor mij is een hele belangrijke en lastige vraag: Hoe ver gaat moraal pluralisme? Is het einde zoek en kunnen we alles rechtpraten? Ik kan de argumentatie starten, maar ik weet nu al dat ik het niet o.k. vind waar die eindigt. Er is – ik heb – een objectief of in ieder geval gedeeld ‘goed’ en ‘fout’ nodig. Ik moet blijven geloven in niet alleen de Frodo’s, maar ook in de Orks. Niet zozeer omdat het zo is, omdat ze er zijn, maar wel omdat het nodig is om mijn leven te structureren. Om de groep, de maatschappij, te laten werken. 

Scene uit the Lord of the Rings, Return of the King, waar Aragorn en de rest een grote overmacht Orcs tegemoet treden.

De vraag is: maken we de verschillen tussen onze moraliteiten, tussen onze versies van Juistheid, groter dan ze zijn? Omdat dat functioneel is in onze maatschappij? Omdat het ons als een groep beter in toom houdt, meer bij elkaar houdt, samen bindt? En zo ja: hoe erg is dat? Is het onoverkomelijk? Is het een glijdende schaal naar een tribale wereld waarin de ander altijd de vijand moet blijven?

Ik weet het niet. Ik kauw nog stevig op deze. Wat ik wel weet, is dat het feit dat Juistheid minder absoluut is dan ik dacht, me nog veel steviger raakt dan het feit dat Waarheid van zijn voetstuk gevallen is. Op de een of andere manier – wellicht mijn wetenschappelijke achtergrond? – kan ik het best redelijk hebben dat Waarheid grijs is. Maar Juistheid? Poeh, daar werk ik nog aan….

Waarheid en Juistheid kwamen een bar binnen, deel 1

Ken je die moppen? Een rabbi en een pastoor kwamen een bar binnen? Het resultaat is altijd een vorm van begripsverwarring of spraakverwarring. En het is meestal best grappig. De laatste weken spoken er steeds meer grappen in mijn hoofd rond die op die bargrappen lijken. Ze gaan over Waarheid en Juistheid, en zijn meestal net zo vol van verwarring. Maar ik lach als een boer met kiespijn. Want Waarheid en Juistheid zijn voor mij pilaren van mijn bestaan. Ik ga er van uit dat ik weet wat waar is, en dat ik het juiste doe. Bakens in mijn opvoeding, leefregels op weg naar volwassenheid. Zoek naar waarheid en handel juist. Met Waarheid en Juistheid valt dus voor mij heel slecht te spotten. En toch kom ik er steeds meer achter dat er serieuze problemen zijn met deze bakens uit mijn jeugd. Volgende week zoek ik uit hoe het zit met Juistheid, vandaag leg ik Waarheid onder de loep.

De eerste barst in het pantser van Waarheid kwam op de universiteit. Ik studeerde technische natuurkunde. We hadden het over elektriciteit en magnetisme, en over massa en snelheid. We deden proefjes en berekeningen en voelden ons machtig. Totdat een van mijn docenten, in een les over licht en reflectie geloof ik, ons vroeg of de tafel waaraan we zaten, er ook zou staan als we er niet naar keken.

En nee, het was geen filosofische discussie. Het gesprek ging over licht, over weerkaatsing, over het bewijzen dat moleculen (en de nog kleinere elementen van moleculen) bestaan. Het technische bewijs daarvoor verkrijgen we via botsingen. In Zwitserland, bij CERN, botsen we deeltjes met grote snelheden tegen elkaar aan om te zien wat er is. Mooie techniek. Maar, zei de docent: als je iets alleen maar kan zien door er iets anders tegen aan te botsen, bestaat het dan ook zonder die botsing?

Ik weet nog steeds niet of de tafel waaraan ik nu tiep er ook is, als ik niet in mijn kantoor ben. Ik houd mij vast aan de gedachte dat alles gewoon blijft staan, ook als ik lunchen ben. Dat mijn wereld echt is, wat ik zie en aanraak.

Maar ja: als ik met mijn hond buiten wandel, lopen we allebei wel in een totaal andere wereld. De mijne is vol kleuren en vormen, de zijne vol geuren en geluiden. Wie heeft gelijk? Welke wereld is waar? Wetenschappers stellen vast dat we in onze eerste levensjaren heel druk bezig zijn om de input die onze ogen en oren ons geven, te snappen. We maken plaatjes in ons hoofd die zo goed mogelijk passen bij de input die we zien. Maar op een gegeven moment is ons brein hier ‘klaar’ mee, en de rest van je leven moet je het doen met de interpretaties die je op dat moment hebt. Een mooie anekdote om dit te illustreren: ik ben opgegroeid in het centrum van Haarlem, en op mijn 3everhuisde ons gezin naar een buitenwijk met gras en vijver. Als ik een eend zag, daar bij ons nieuwe huis, noemde ik die eend een duif. En als we naar de stad gingen voor boodschappen, en mijn zusje zag een duif, dan noemde ze dat een eend. 

Foto van Simply Superb Swans, een blog over vogels 

Waarheid, zo lijkt het, is iets wat we bouwen in ons hoofd. We gebruiken de input die de wereld ons geeft, maar we interpreteren die wel. Zoals Multatuli al zei: ‘Misschien is niets geheel waar, en zelfs dat niet.’ Je ogen houden je voor de gek, en als je je ogen eenmaal gebruikt hebt, doen je hersenen de rest. Met alle sluipweggetjes die we al besproken hebben, zoals de confirmation bias en cognitieve dissonantie. We zien niet wat we denken te zien, we maken een waarheid. En als we die waarheid eenmaal gebouwd hebben, zien we vervolgens alleen maar die dingen, die onze waarheid bevestigen.

In het boek ‘Heretics’ van Will Storr beschrijft de auteur heel veel voorbeelden van onze waarheidsvervorming. Gerenommeerde wetenschappers die feiten wegwuiven op semantische of detailistische argumenten, omdat ze het niet eens zijn met de inhoud van de feiten. Twee verschillende mensen die naar hetzelfde object kijken, maar iets anders zien. Het meest memorabele (zei het afschuwelijke) voorbeeld hiervan in het boek komt als de auteur undercover mee is met een reis van holocaust-ontkenners. Ze staan in Auswitz bij de gaskamer, en de reisleider laat zien dat de deur van deze kamer gewoon een handvat heeft aan de binnenkant. Bewijs dat dit geen echte gaskamer is. De auteur kijkt naar dezelfde deur, en ziet de sloten die aan de buitenkant van de deur zitten. Ze kijken allebei naar dezelfde deur, maar hun ogen registreren andere elementen.

Dit stukje uit het boek is gruwelijk en verkillend om te lezen, vooral ook omdat ik geen inkijk wíl hebben in het hoofd van een holocaust-ontkenner. Zo iemand moet gewoon heel slecht geïnformeerd zijn, heel dom, of heel slecht (vrij naar Kathryn Schulz over waarom we denken dat andere mensen het fout hebben). Storr laat me de mogelijkheid zien, dat de waarheid complexer is, dan ik in mijn hart kan accepteren. 

Still uit de TED talk van Kathryn Schulz ‘On being Wrong

Waarheid, het is een essentieel onderdeel van onze maatschappij. En tegelijkertijd iets totaal ongrijpbaars. Zoals ze in dit artikel over narratieve journalistiek schrijven bij Follow The Money: het gevaar van verhalen vertellen die de waarheid moeten overbrengen, is dat een verhaal helemaal moet kloppen. Er mogen geen tegenstrijdigheden in zitten, geen witte vlekken. Een verhaal loopt pas lekker, als het je helemaal meeneemt, erin zuigt. Dat doe je niet door continue jezelf tegen te spreken. Dat doe je door een meeslepende en kloppende verhaallijn op te bouwen.

Hoe contra-intuïtief ook, hier haal ik mijn belangrijkste les uit: pas op voor verhalen, voor waarheden, die helemaal kloppen. Pas op voor mensen die het zeker weten. De aanwezigheid van tegenstellingen, twijfel en onduidelijkheid in een verhaal of in een mening, is een goede indicatie van zijn waarheid. Want echte waarheid? Die is altijd complexer dan we denken.

Spelende vrouw, wat heb je nu geleerd?

Ik had zaterdagavond een pubquiz. Leuk, vooral omdat ik een gewild teamlid was. Dat dat kwam omdat ik een van de weinige 40+ ers was, negeren we even. Er waren acht ronden vragen, we werden tweede (ja, toch balen) en we hadden veel bier en lol.

Cartoon by Royston Robertson

Ergens deze avond kwam het gesprek op filosofie. Een mijn teamleden was de course ‘Justice’ van Harvard aan het volgen, na mijn enthousiaste aanbeveling. Hij genoot van de colleges, vond de stof interessant, maar één ding stoorde hem wel: je had er zo weinig aan. Ik vroeg door en hij legde uit: “Filosofie is zo vaag. Ik ben jurist en dan is het vaak helder: de regels zijn duidelijk. Maar bij al die filosofie-colleges is steeds de conclusie: je kunt er zo naar kijken, maar ook zo. Ik vraag me maar steeds af, wat kan ik er nu concreet mee?”

Dit gesprek geeft aardig weer hoe ik op dit moment in mijn onderzoek zit. Ongelofelijk leerzaam, verhelderend en interessant. Ik geniet, worstel en leer… Maar ik stoor me ook wel aan dezelfde punten als mijn medestudent: wat kan ik er nu eigenlijk mee?

Vanaf Think 101, de waanzinnig interessante collegereeks van de Universiteit van Queensland, tot mijn laatste boek, Being Wrong van Katheryn Schulz: steeds weer wordt er toegelicht en beschreven hoe het proces in je hoofd en lijf werkt. En steeds weer blijf ik zitten met een ‘ja en wat nu?’ gevoel. Zoals Daniel Kahneman zei in Think 101 (tot mijn grote frustratie), toen hem gevraagd werd hoe je kan veranderen hoe je denkt: “Kies 1 aspect waar je je echt aan ergert, en werk daar hard en consequent aan. Wellicht zie je dan een kleine verandering. Heb niet al te hooggespannen verwachtingen, want ik studeer al meer dan 20 jaar op hoe je beter kan denken, en mijn denken is nog altijd niet noemenswaardig verbeterd.”

Ook in de studies die ik na Think 101 heb gedaan, kwam ik steeds weer tegen hoe ongelofelijk complex het is om in te grijpen op het systeem dat jouw meningen en wereldbeelden vormt. Niet alleen is het lastig om te preciseren wáár je zou moeten ingrijpen (immers, meningsvorming gebeurt in een complexe dans tussen intuïtie, emotie en verstand), het is ook een grotendeels onbewust en supersnel proces, waar we met onze handelingsmogelijkheden redelijk moedeloos achteraan hobbelen.

Iets hoopvoller wordt het als ik me niet alleen focus op wat er binnenin mij gebeurt. Evolutietheorie leert me hoe belangrijk onze omgeving, onze groepen voor de mens zijn. En dat we als mens excelleren in het gebruiken van deze groepskracht om samen te werken en om van elkaar te leren. Groepsprocessen binden en verblinden, zoals Jonathan Haidt zegt. Het is niet automatisch een positieve invloed, die groepsinvloed. Maar in ieder geval laat onderzoek zien dat gedrag, mening en wereldbeeld wellicht beter te beïnvloeden is buiten mijn hoofd, dan daarbinnen. 

Dus, het is tijd voor een ‘kom op Marian, zo ingewikkeld is het allemaal niet’ samenvatting van mijn onderzoek tot zover. Spelende vrouw, wat heb je nu geleerd? Met een focus op de blije, fijne, positieve dingen. Op concrete punten waar ik ook echt wat aan kan doen. Bij deze de tien concrete ‘ja hier kan ik wat mee’ punten:

  • We zijn Homo Puppy. We zijn genetisch specifiek geëvolueerd om minder solistisch te zijn en meer op elkaar te vertrouwen. Daardoor kunnen we bij uitstek goed leren door anderen na te doen.
  • Evolutionair gezien kunnen we daarnaast wel vaststellen dat de mens gekomen is waar hij is, door arbeidsdeling (en dus onderlinge afhankelijkheden), het delen van ons voedsel (nodig door de arbeidsdeling) en door verhalen (we zaten zeg maar toch samen te eten). Een reden waarom het familiediner werkt zeg maar, hoewel het dus volgens deze opsomming nog beter zou werken als de EO haar ruziënde familieleden ook samen zouden laten koken.
  • Onze moraliteit is niet zwart-wit of elkaar uitsluitend, maar te specificeren in een zestal elementen. Het mooie hiervan is dat we wereldwijd dezelfde zes elementen gebruiken om onze waarden en normen uit op te bouwen. De verschillen zitten vooral in de prioriteiten die we stellen. 
  • Verhalen doen ertoe (zie punt 2). Als we elkaars verhaal kunnen horen, voelen, vertellen, kunnen we echt in dialoog zijn. Verhalen over de moraliteit van de ander, van binnenuit geschreven, maken ons wereldbeeld completer en veelkleuriger.
  • We houden onszelf in ons hoofd ongelofelijk vast in de confirmation bias en het Dunning-Kruger effect: we zien alleen feiten die ons wereldbeeld bevestigen, en we denken dat we meer weten, dan we eigenlijk weten. Dit zorgt voor een onvermogen scherp naar onszelf te kijken. Dit onvermogen is bijna niet te overwinnen. Maar: naar een ander kunnen we het wel! Samenwerken lijkt mogelijkheden te bieden om uit de groeven te komen die in ons brein zitten.
  • We denken dat we denken, maar stiekem voelen we vooral. Emotie en intuïtie heeft een veel grotere invloed op onze mening, dan we doorhebben. Denk maar terug aan dat onderzoek waaruit bleek dat mensen veel strenger oordeelden over casussen met morele dilemma’s, als ze de lucht van een scheet roken. Emotie en intuïtie is razendsnel en onafwendbaar. Maar, het is ook vluchtig. Tijd inbouwen, rust nemen, de emotie laten weg-ebben voor je een mening vormt, is een hele effectieve manier om jezelf minder te laten beïnvloeden door je onbewuste.
  • We redeneren niet om de waarheid te zoeken, maar om gelijk te krijgen. Dit is een harde waarheid, maar wel een leerzame. Ieder argument dat ik bedenk waarom ik gelijk heb, heeft dus als ‘stiekem’ doel om een argument van ‘de ander’ onderuit te halen. Het is leerzaam, nuttig en ongelofelijk hoofdpijnveroorzakend om zo naar je eigen argumenten te kijken. Kun je bij ieder argument van jezelf, het argument voor de andere positie vinden? Ook hier weer: samenwerken helpt!
Confirmation bias maakt samenwerken soms wel lastig 😉
  • Openheid helpt het proces. Fouten maken, van mening veranderen, ongelijk hebben: de schaamte die erbij komt in onze samenleving, is de grootste reden van het etterende effect. Fouten maken en ongelijk hebben kan ook luchtig en makkelijk zijn. Transparantie en een cultuur waarin fouten maken niet direct gekoppeld wordt aan minderwaardig zijn, helpt om je hoofd en hart flexibeler op te stellen.
  • Lachen en lol helpt enorm. De belangrijkste reden waarom twijfel, fouten maken en ongelijk hebben zo negatief aanvoelen, is omdat we het zo serieus nemen. Kijk maar eens naar je favoriete comedy: fouten maken en ongelijk hebben is vaak een belangrijke kern van humor. Of kijk naar kinderen, die onbevreesd op zoek gaan naar nieuwe manieren om fouten te maken. We kunnen het wel!
  • Het is onmogelijk om de voorgaande negen lessen integraal mee te nemen in mijn dagelijks leven. Maar ermee spelen, oefenen, dat lukt me wel. Een artikel lezen vanuit twee verschillende morele brillen. Het herkennen van de olifant (je emotionele en intuïtieve reactie) bij jezelf en bij anderen. Het construeren van het verhaal van de ander: als ik me er toe zet, er tijd voor neem, dan lukt het me (soms). En als het me lukt, verrijkt het mijn leven. 

Dit is vast niet compleet, en zeker niet wetenschappelijk onderbouwd. Maar toch, het is me gelukt: Tien lessen om mee aan de slag te gaan. Tien invalshoeken die helpen om mijn wereld mooier te maken. Tien handvatten om van mening te veranderen in de 21eeeuw. Dit heeft de spelende vrouw – voor nu – geleerd!

Post Scriptum

Een anekdote om mee af te sluiten. Gisteren had mijn zoon huiswerk voor Nederlands. Hij moest argumenten bedenken voor of tegen de volgende stelling: Alle leraren moeten verplicht een IQ test doen. Hij mocht zelf kiezen of hij voor of tegen was.

Kiezen was lastig, maar na veel twijfelen koos hij om argumenten tegen deze stelling te gaan bedenken. Vijf minuten en drie mooie argumenten later, daagde ik hem uit om nu ook twee of drie argumenten vóór de stelling te bedenken.

En hoewel hij nog geen vijf minuten eerder nauwelijks kon kiezen of hij voor of tegen was, lukte het nu niet meer om goede (niet cynische of belachelijke) argumenten voor de stelling te bedenken. Hij riep mij zelfs geïrriteerd toe: dat kan ik niet mam, want ik ben toch tegen!

Zo snel gaat dat dus….. En ja, daar is wat aan te doen! Iedere ochtend hersengymnastiek, maar niet om te onthouden of slimmer te worden, maar om flexibel van geest te blijven. Zoals de Hartenkoningin in Alice in Wonderland al sprak:

Serendipity

Soms vallen zaken samen op een bijna magische wijze. Serendipity noemen de Engelsen dat met een prachtig woord: gelukkig toeval. Vorige week schreef ik een van mijn meest serieuze en zelfkritische blogs ooit. Ik beschreef hoe ik stelselmatig groepen in mijn eigen samenleving marginaliseer. Hoe ik niet hoor wat ze te zeggen heb en hun gezichtspunt niet serieus neem.

Een troosteloze ontdekking, ook doordat ik geen makkelijke oplossing had voor het probleem dat ik zag. Een toverstokje dat me opeens door mijn confirmation bias zou laten heen kijken, ik heb het nog niet gevonden. Was ik gedoemd om mijn oogkleppen op te houden, niet verder komend dan een constant gevecht om in ieder geval de rand van de oogklep in beeld te krijgen? Zitten we echt gevangen in onze eigen vooroordelen?

Toen las ik gelukkig een artikel van de Correspondent over zilvervossen. En las ik een boek over Darwin en psychologie. En samen wisten die twee me er weer een beetje bovenop te krijgen. Ik neem jullie graag mee in mijn weg terug naar een positieve en hoopvolle toekomst. Het is ten slotte blue monday!

Silver (Red) Fox standing on a small hill – CA

Eerst die zilvervossen. Het artikel van de Correspondent begint eigenlijk ook best negatief. Ze vragen zich af hoe het toch komt dat de mens de baas geworden is op aarde. Die Neanderthaler was – zo weten we ondertussen – minstens net zo slim als wij. En sterker. Toch ligt de Neanderthaler nu uitgestorven in het museum, terwijl wij de wereld bevolken. Hoe kan dat?

Theorieën hierover krijgen al snel een duister tintje. Van de homo economicus tot filosofieën van Locke: de mens wordt vaak neergezet als een ras dat individualistisch is en op zoek naar maximalisatie van zijn eigen geluk. Aardig als het moet, gemeen als het kan. Als hij er maar beter van wordt.

En toen kwamen die vossen. Een wetenschapper had diep in Siberië een experiment gedaan: generatie op generatie alleen maar gefokt met de minst agressieve vos (het is een zeer agressief ras). Er werd op niets anders geselecteerd dan vriendelijkheid.

Het effect van het fokprogramma was ingrijpend: de vossen die op vriendelijkheid gekweekt waren, veranderden ook op andere vlakken. De vossen werden kinderlijker, speelser. Hun vacht kreeg vlekken. Hun hersenen krompen, hun kaken werden kleiner. Ze gingen – kortom – meer lijken op puppies. Het leek op de domesticatie van de wolf naar de hond. En wellicht ook, zo stelden de wetenschappers, op de evolutie van de mens?

Plaatje komt uit het Correspondent artikel

De theorie is dat ook mensen lange tijd al op vriendelijkheid fokken. En dat we zo een homo puppy geworden zijn. Als je de plaatjes ziet, geloof je het meteen: onze gezichten zijn veel minder geprononceerd (kaaklijn kleiner, wenkbrauwen kleiner) en onze hersenpan is gekrompen. Om de Correspondent te quoten: ‘Mensen werden slapper, kwetsbaarder en kinderachtiger. We kregen een kleiner brein, terwijl onze wereld steeds ingewikkelder werd.’ Waarom? En hoe kan dit een voordeel zijn?

Het voordeel zit in ons vermogen om sociaal te leren. Te leren van anderen dus. De sociale intelligentie is wat peuters in experimenten van nu onderscheid van chimpansees. Ons vermogen om te delen, te ontvangen en in een groep te werken, maakt ons effectiever en heeft evolutionair gezien wellicht wel gezorgd voor onze dominantie op deze aarde. Vriendelijkheid is wellicht wel de grootste kracht van de mens.

Daar wordt een mens vrolijk van, zo op blue monday. Het boek ‘The Righteous Mind’ van Jonathan Haidt helpt mij nog verder over mijn winter dip. Niet dat dit boek nu zo vreselijk positief is. Het boek vertelt in drie delen, drie belangrijke ontdekkingen op het gebied van moraliteit:
1. Intuïtie komt eerst, rationaliteit komt pas daarna.
2. Moraliteit is meer dan eerlijkheid en zorg.
3. We zijn 90 procent Chimpansee en 10 procent Bij.

Zijn eerste punt komt er op neer dat volgens Haidt menselijke ratio niet gezien kan worden als een menner van een koets (waarbij de koets onze emotie en intuïtie is), maar beter een berijder op een olifant. De olifant (onze intuïtie) is zo groot, dat hij door de berijder slechts marginaal bij te sturen is. De berijder kan proberen te sturen, maar zal er meestal mee volstaan om plausibele reden te verzinnen waarom hij daarheen wilde gaan, waar de olifant heen loopt. Oftewel: we redeneren 95% van de tijd niet om waarheid te vinden, maar om onze acties te verantwoorden.

Niet heel positief natuurlijk, maar wel inzichtelijk. Het werd voor mij positief toen Haidt met experimenten aangaf hoe je om kunt gaan met je olifant. De intuïtieve reactie op zaken om je heen kun je niet uitzetten. Maar deze reactie is niet alleen supersnel (en daarom altijd eerder dan de rede), hij is ook vluchtig. Proefpersonen die 2 minuten moesten wachten voordat ze antwoord gaven op morele kwesties, antwoorden zuiverder en rationeler (niet getriggerd door de olifant) dan proefpersonen die meteen antwoord moesten geven. Rust, tijd, aandacht: het kan helpen om je olifant bij te sturen. Het voelt een beetje als boosheid of verdriet: het wegdrukken kan tot enorme problemen leiden en is ook nog eens meestal niet zo efficient, maar even uitrazen kan wel ruimte geven voor een meer afgewogen gesprek.

Zijn tweede punt gaat in waarom we het over de wereld niet eens zijn over wat moreel goed is. Er zijn – zo stelt Haidt – meerdere onderdelen van moraliteit. En hoewel die onderdelen beperkt zijn (hij komt tot zes ‘smaken’: Zorg, Vrijheid, Eerlijkheid, Loyaliteit, Autoriteit en Heiligheid), zijn de combinaties die ermee te maken zijn, oneindig. Hierdoor kan het komen dat groepen uitgaan van dezelfde normen en waarden, maar doordat ze het verschillende onderdelen het belangrijkst vinden, komen tot een andere morele afweging. Het begrijpen van deze afweging, zo stelt Haidt, kan niet zonder je te verdiepen in alle zes de onderdelen van moraliteit. Een pleidooi voor meer inzicht en nieuwsgierigheid naar het gelijk van de ander.

Tenslotte bespreekt Haidt de eeuwige tegenstelling tussen psychologen en sociologen: gaat het om het individu of om de groep? Haidt stelt dat het om beide gaat, en dat we groeps-dynamieken niet mogen overslaan als we praten over zaken als moraliteit. Groepsprocessen zoals raves, religie en de zondagse voetbalwedstrijd maken ons weerbaarder, efficiënter en – voor de anderen binnen onze groep in ieder geval – aardiger. Groepsprocessen kunnen ook hele nare effecten hebben, met name voor diegenen die we niet tot onze groep rekenen. Maar de oplossing dat ieder mens overal bij moet horen, de toekomstvisie van John Lennon in het liedje ‘Imagine’, zou volgens Haidt wel eens zeer negatief kunnen uitpakken. We hebben – zo stelt hij – het groepsproces nodig. Als was het maar omdat we in die groep het voordeel dat we als ‘Homo Puppy’ hebben pas echt goed kunnen gebruiken. De Homo Puppy gedijt het best in een roedel.

Wat hebben het boek en artikel me geleerd? Dat ik mijn oogkleppen wel degelijk kan verruimen. Ik wil en zal me gaan verdiepen in die morele pluraliteit. Vanuit mijn achtergrond en omgeving heb ik veel meer met de onderdelen Eerlijkheid, Zorg en Vrijheid van moraliteit. Loyaliteit is soort van neutraal voor me, Heiligheid is een groot wit vlak en Autoriteit roept bij mij zelfs negatieve associaties op. Ik wil gaan voelen en merken hoe deze onderdelen van waarde zijn voor andere mensen, hoe ze een positieve bijdrage kunnen leven aan het morele kompas van een samenleving.

Daarbij zullen de beelden van de Homo Puppy, die uitblinkt in leren van anderen, en van de berijder met de olifant, die een onmiddellijke maar vluchtige eerste reactie heeft, me bij blijven. De Homo Puppy geeft me het vertrouwen dat we samen verder kunnen komen. Dat goed voorbeeld echt zorgt voor goed volgen. Iets wat we ook zien in de huidige maatschappij. Het is niet alleen maar kommer en kwel, tribalisme en polarisatie. Er is ook een Gilette reclame (zie link hieronder), die laat zien hoe mannen een beter rolmodel kunnen zijn voor hun zoons. Goed voorbeeld doet goed volgen, ook in de praktijk.

Still van de Gillette reclame

En mijn olifant? Die geef ik voortaan wat meer aandacht en ruimte om er te zijn. Zonder me als willoos volgeling van zijn voorkeuren te gedragen. Hij mag de eerste zet doen, maar als ik als bereider genoeg rust neem, kan ik het laatste lachen.

The mirror cracked

Het nieuwe jaar begint bij mij met een nieuw gezichtspunt. Of liever gezegd: het langzame besef dat ik in mijn leven bepaalde gezichtspunten heb genegeerd. Niet uit kwade wil, maar uit een totale onwetendheid.

Het zaadje voor dit langzame besef werd eind vorig jaar al gezaaid. Ik probeer nu de leergang ‘Religion, conflict and peace‘ te volgen bij Harvard online. Ik zeg probeer, want de stof is ongelofelijk zwaar en heftig. Ik doe deze echt langzaamaan in kleine brokjes. De leergang start vanuit godsdienstwetenschap en kijkt naar de verbindende en verwoestende kracht van religie. In een van de eerste weken kwam Galtung’s theorie over intstitutioneel geweld aan de orde. Kort door de bocht zegt die theorie dat een onderdeel van geweldpleging zit in onze structuren en instituties: we marginaliseren het geluid van bepaalde groepen in onze maatschappij, met als gevolg dat deze groepen geen of verminderde toegang hebben tot de voordelen van onze maatschappij. Ook zonder ‘zichtbaar geweld’ tegen bepaalde groeperingen, kan een maatschappij zo gewelddadig zijn.

Het marginaliseren van bepaalde groeperingen is natuurlijk een ‘hot topic’ in de maatschappij vandaag de dag. De gele hesjes en hun demonstraties geven geluid aan de niet-gehoorden: hun woede komt voor uit het gevoel niet mee te doen in de maatschappij.

Het marginaliseren van groepen komt ook heel treffend naar voren in dit filmpje van Joris Luyendijk (kijk het filmpje aub even voor je verder leest, het is maar 2 minuten).

Zoals Joris het treffend stelt: we lachen het weg, maar wij die lachen, wij zijn het probleem. We marginaliseren een hele groep mensen, zetten ze weg als dom. En – zo zegt hij terecht – we lachen niet expres uit gemeenheid! Hij stelt het zelf, hij had ook gelachen als hij zich niet toevallig net lang verdiept had in het verhaal van PVV-stemmers. We doen het uit onwetendheid. We zijn onderdeel van een maatschappij die – om het met Galtung te zeggen – institutioneel geweld pleegt tegen PVV-stemmers.

Heftig om me te beseffen, nog heftiger om op te schrijven. Maar toch is dit het besef dat langzaam bij me opkomt de afgelopen weken: het besef dat we structureel bepaalde groepen níet aan het woord laten. Ik verdiep me momenteel in zwerfjongeren, en wat mij opvalt is dat ik heel veel onderzoek kan vinden en lezen, maar dat ik nauwelijks onderzoek kan vinden dat gebaseerd is op gesprekken met deze jongeren zelf. Onderzoeken zijn gebaseerd op cijfers en feiten of op interviews met hulpverleners. Waarom is me dat eerder nooit opgevallen? Ik heb jaren gewerkt in het jeugddomein. Waarom is me nooit eerder opgevallen dat bij al die onderzoeken naar de effectiviteit van het jeugdbeleid, maar zelden de ervaringen en meningen van jongeren en hun gezinnen centraal gesteld worden?

Neem nu deze TED talk. Hierin beschrijft J. Marschall Shepherd, een meteoroloog, hoe lastig het voor hem is dat mensen niet geloven in de menselijke invloed op klimaatverandering. Zijn TED talk is in de basis precies zo als ik hem had kunnen houden, een paar weken geleden in mijn onderzoek. Hij onderschrijft drie grote biasses:

Deze biasses komen kortweg op het volgende neer: je ziet feiten die corresponderen met jouw overtuiging veel makkelijker (confirmation bias), je denkt dat je meer weet dan je eigenlijk weet (Dunning-Kruger effect) en je voelt stress als je geconfronteerd wordt met ervaringen die jouw overtuigingen/wereldbeeld aantasten (cognitive dissonance). Ik heb hier eerder in mijn blogs over geschreven.

Volgens Shepherd houden deze biasses, gecombineerd met onwetendheid en mis-informatie (vergelijk ook Joris Luyendijk) ons gevangen in onze overtuiging.

Hoe stappen we uit deze gevangenis, volgens Shepherd? We moeten ons bewust worden van onze biasses, we moeten zorgvuldiger onderzoeken waar we onze informatie vandaan halen en tenslotte: we moeten praten over onze ervaringen. Hij staaft dat met een schitterend kort filmpje (op ongeveer 10:30 in de TED talk van Shepherd, link onder de foto gaat naar het juiste moment) waarin een andere Meteoroloog vertelt hoe hij er achter kwam dat hij zichzelf in deze gevangenis vasthield: hoe hij alleen maar wetenschappelijk bewijs zocht (en vond) dat mensen géén invloed hadden op het klimaat. En wat het met hem deed toen hij dit eenmaal door had.

Still van https://youtu.be/LcNvkhS4UYg?t=632de clip waarin Greg Fishel vertelt over zijn ontdekking.

Ik vond het een schitterend filmpje, en was onder de indruk van het idee dat Shepherd poneerde dat we vooral moeten praten over onze ervaringen. Het horen van een werkelijke verandering van inzicht, het daadwerkelijk zichtbaar krijgen van zijn eigen biasses, door iemand die dit over zichzelf vertelde, vind ik superkrachtig. Verhalen vertellen helpt om leerervaringen door te geven.

Maar, en dit is een grote maar, wat ik ontzettend jammer vond aan de TED talk, was de superieuriteit die het praatje uitstraalde. Hoeveel sterker was het verhaal geweest, als Shepherd zijn betoog had geïllustreerd met voorbeelden waarin hij zélf gevangen was in zijn biasses? Waarom het betoog zo opstellen dat het leek alsof alleen klimaatontkenners vastzitten in de gevangenis van onwetenheid en vooroordelen? Was dit weer het lachen in de zaal bij de PVV-stemmer?

Al met al begin ik 2019 met een behoorlijk moment van bezinning. Bezinning over mijn eigen oogkleppen. Bezinning over de realiteit van mijn onderzoek, dat toch wel het doel heeft om ‘de ander’ te veranderen. Deze XKCD geeft redelijk treffend weer hoe ik dit onderzoek ooit starte:

Ik laat het besef langzaam groeien. Kleine stapjes, want dit is best spannend. Ik wil deze maand nog twee belangrijke dingen doen:

1. Voor jullie de ‘Deep Story’ inspreken die staat in het boek Strangers in their own land, het verhaal van de tea party-stemmers uit het diepe zuiden van Amerika. Mijn eerste blik in het verhaal van de gemarginaliseerden.

2. Een blog schrijven over hoe ik denk dat dit besef van marginalisering en institutioneel geweld niet alleen maar ellende is, maar ook een sleutelinzicht geeft in hoe we wél samen in staat gaan zijn om onze wereld mooier te maken. Namelijk door verhalen te vertellen. De kracht van eerlijke, persoonlijke, verhalen, is voor mij steeds duidelijker geworden. Maar daarover meer in een volgend blog.

Tea, earl grey, hot.

In het kader van mijn voortdurende nieuwsgierigheid ben ik een nieuwe leergang begonnen aan HarvardX: Religion, Conflict and Peace. Ik vind het heel heftig om deze leergang te volgen: het gaat over religie, over nationalisme, over tribalisme en sektarisme (de mooiste quote tot nog toe uit de opleiding: ‘Sectarism is belonging gone bad”). Alle dingen waar ik de laatste tijd mee worstel in mijn onderzoek, en dus een prachtige verdieping, maar ook zware kost.

De reden dat ik deze kost toch met jullie wil delen, is dat deze leergang me weer inhamert, wat ik eerder al ontdekte in mijn zoektocht naar het veranderen van mening: de onaantrekkelijkheid van twijfel.

Twijfel is an sich al een beetje een laf woord. Het voelt onaf, alsof je nog niet klaar bent met werken. Twijfelen is een staat waar je zo snel mogelijk uit wil komen. Tegelijkertijd zie ik als ik me verdiep in de grote tegenstellingen waar ons land – en onze wereld – momenteel mee worstelt, dat twijfel steeds weer het startpunt is van begrip en verzoening. Twijfelen, niet weten, uitstellen van je mening: het zijn deze eigenschappen die het mogelijk maken om de dialoog te starten over de kloof van het ongelijk heen.

Twijfel, en een oneindige hoeveelheid thee. Want of het nu gaat om het abortusreferendum in Ierland of de gesprekken tussen ouders van overleden kinderen in Israël, een dialoog met twijfel en respect voor de ander kost tijd. Veel tijd. In Ierland heeft een ‘Citizens Assembly’ – een groep van willekeurig gekozen burgers – van november 2016 tot april 2017 overlegd over de tekst van het amendement van de grondwet over abortus. Zes maanden, en heel veel thee later, is het amendement ingebracht in een referendum. Dit jaar is dat referendum gehouden, en Ierland heeft voor het amendement gestemd. Sindsdien is abortus volgens de Ierse grondwet is niet meer illegaal.

In Israël praten ouders van door geweld om het leven gekomen kinderen – Joodse en Palestijnse ouders – met elkaar. En staan ze schouder aan schouder om het geweld te beëindigen. In de prachtige documentaire ‘Encounter Point‘ (gewoon te zien via de youtube link, van harte aanbevolen!) zie je ook deze ouders praten met hun ‘eigen’ achterbannen. Jaren van geweld, angst en propaganda maken het lastig om hun boodschap van vrede te verkondigen. Stapje voor stapje blijven deze ouders werken aan een wereld waarin geweld niet meer gewoon is. Ook dat kost tijd, en thee.

Twijfel is dus een groot goed. Maar tegelijkertijd lijkt twijfel ons buitenspel te zetten. Zoals een deelnemer van de meet up in november het verwoordde: ik weet helemaal niet meer hoe ik een mening moet vormen over veel dingen! Ik lees informatie, probeer me te verdiepen, zie standpunten al ontstaan en botsen en dan… trek ik me terug. Doe ik niet meer mee.

Een voormalige bewoner van een nederzetting in de bezette gebieden verwoordde het in Encounter point als volgt (vertaald): De linker- en rechtervleugel in dit land hebben het maar makkelijk. Zij weten wat hun mening is, ze hebben de waarheid helder. Ze printen hun waarheid op een sticker en plakken die achterop hun auto. Maar hoe moet dat met mensen als ik? Mensen van wie de waarheid en mening wel een A4-tje lang is? Dat past niet op een sticker! Niemand leest mijn mening.

Op de meet up werd de stemming aan het eind van de avond opstandig. Wij twijfelaars worden gemarginaliseerd, zo besloten we. We moeten onze plaats opeisen! Het is tijd voor een Radicale Middenpartij. Het is tijd om het geluid van de twijfelaar te normaliseren, wat heet, te idealiseren: twijfel is goed voor u!

Of zoals Atalia Omer (Associate Professor of Religion, Conflict, and Peace Studies, Universiteit van Notre Dame) het zegt: we moeten opnieuw nadenken over nationaliteit, identiteit en burgerschap. Door met elkaar te praten, kritisch te zijn en in dialoog te blijven, kunnen we vastgeroeste definities van burgerschap ‘denaturaliseren’. Dat betekent dat we ze on-gewoon maken, het ingesleten patroon ter discussie stellen. Door dat te doen, kunnen we met een verse blik kijken naar onze eigen identiteit en naar onze definitie van rechtvaardigheid.

Dus dat is mijn goede voornemen voor 2019: ik ga veel thee drinken met mensen die ik nog niet ken. Ik ga mijn eigen blinde vlekken vinden. En ik ga proberen om stapje voor stapje mijn ingesleten definities te onderzoeken. Want het begrijpen van de ander, dat gaat via de spiegel. Mijn reis door de spiegel zal ik dan ook in 2019 voortzetten. Ik wens jullie allemaal hele mooie dagen, en hopelijk zie ik jullie weer in het nieuwe jaar.

November rain

Het is al elf december en ik kom nu pas toe aan mijn november verzamelblog. Wat heb ik in november geleerd en gedaan? Hoe is het gegaan met mijn zoektocht?

November was net zo druk als van tevoren gevreesd. Maar wel druk met heel veel van het mooiste werk: lesgeven en trainingsacteur zijn. Het laten vallen van kwartjes bij anderen, het zien van het lichtje in de ogen van mensen die opeens een nieuw inzicht krijgen: het is fantastisch.

In november heb ik op twee centrale thema’s in mijn professionele carrière stokjes door mogen geven aan anderen. Het eerste thema was samenwerken in het sociaal domein. Samen met professionals die dagelijks een verschil maken voor jongeren, ben ik gaan sleutelen aan effectief samenwerken. Vanuit de theorie (Leren samenwerken tussen organisaties van Kaats en Opheij is een prachtig boek hiervoor) maar vooral ook heel veel vanuit hun eigen praktijk. Wat zie je? Wat gebeurt er? En wat kan je doen?

Opvallend is hoeveel kracht en plezier het professionals geeft om de tijd te nemen om even een stapje terug te doen en daadwerkelijk te analyseren wat er in hun dagelijks werk gebeurt. Hiervoor is het essentieel om veel vragen te stellen: ‘Waarom werken we eigenlijk met deze partners samen? Wat heeft mijn organisatie eraan, en wat heb ik eraan? Wat zijn onze doelen? Wat is de fase van de samenwerking? Wat hebben we allemaal al geregeld en waar zitten nog witte vlekken?’

Deze en andere vragen brachten de cursisten niet alleen veel inzicht, maar ook vooral veel kracht in hun eigen opstelling. Want als je weet wat er aan de hand is, kun je ook veel slimmer en krachtiger kiezen wat je zelf gaat doen. En dat levert in de praktijk hele mooie resultaten op: samenwerken kan echt makkelijker, beter en effectiever, en daar kan je zélf wat aan doen!

Het is tegelijkertijd lastig om te zien hoe we nog worstelen in het sociaal domein. Dat het zo lastig is om krachtige samenwerkingsverbanden te bouwen en te onderhouden. Dat het nog altijd niet vanzelfsprekend is dat de decentralisatie uit 2015 geleid heeft tot betere zorg en effectiever werken.

Als mede-auteur van de transformatieagenda uit 2014, weet ik zo goed welke hoop en verwachting we allemaal hadden. En ik zie ook veel moois in de praktijk, maar ook veel worsteling. Dat heeft denk ik ook te maken met de grootse veranderingen die er breder in onze maatschappij spelen: andere verwachtingen van de overheid, andere rol voor de professional, meer maatwerk maar ook tekort aan geld en een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheid tussen cliënt, netwerk en de professionele hulp. We moeten elkaar opnieuw vinden, op een heleboel verschillende niveau’s.

Maar goed, ik dwaal af. November stond verder in het teken van het leren onderhandelen. Als trainingsacteur heb ik Mieke Bouwens ondersteund bij haar tweedaagse masterclass Excellent Onderhandelen. Wat een feestje was dat! Zo heerlijk om mensen de mogelijkheid te geven om daadwerkelijk te mogen oefenen met hun gedrag. Om in de praktijk te mogen laten zien hoe groot de invloed is van kleine dingen als lichaamshouding, positie en taalgebruik. Om ‘spelletjes’ te mogen spelen rond thema’s als: hoe lang kun je vragen blijven stellen? Zeg ’s niets? Gebruik het verboden woord (prijs, korting, geld) niet?

Het waren twee dagen vol twinkelingen in ogen, vol tranen van het lachen en vol serieus krakende hersenen. Het bouwen van nieuwe paden in je hoofd, hart en gedrag is kei-hard werken. En dat hebben de cursisten gedaan. Met resultaat!

Naast al het werk dat ik in november mocht doen, heb ik natuurlijk ook tijd aan mijn onderzoek kunnen besteden. Een hoogtepunt was wel een heuse Meet-up over mijn onderzoek! Op 22 november zaten we in Amsterdam meteen mooie kring mensen te praten over hoe je van mening kan veranderen. Ik zal er de komende blogs nog vaak naar terugverwijzen, want het heeft me heel veel inzichten gegeven. Een korte cryptische opsomming:

  • Van mening veranderen? Ik kan niet eens meer een mening vormen!
  • Ierse referenda en de kracht van theedrinken.
  • Het is tijd voor een Radicale Middenpartij.
  • Van debattrainingen naar consenttrainingen op middelbare scholen.
  • Steelmannen en het gelijk van de ander.
  • Radicalisering en de kracht van een bruggenbouwer

Ik ben benieuwd waar al deze inzichten, vragen en cryptische beginnen van gedachtes me in december gaan brengen. Ik gok nog niet dat ik dit jaar nog een politieke partij ga oprichten, maar wie weet wat de toekomst brengt.

Wat ik in ieder geval ga doen in december, is me verdiepen in het gelijk van de ander. Want dat is echt wel een punt dat in november ontzettend sterk naar voren is gekomen. In de meet-up, maar natuurlijk ook gewoon in de samenleving in Nederland waar we de afgelopen maand weer geworsteld hebben met het begrijpen van de pijn van de ander. Het gesprek, soms debat en soms gevecht rond zwarte piet is na 5 december weer weggeëbd. Het was voor mij een cruciaal onderdeel van mijn november, omdat ik me dit jaar niet afzijdig heb willen houden van het gesprek. Ik heb gepraat, gelezen, geluisterd en gedacht. Mooie sites gevonden als deze van het Meertens instituut die onderzoek doet naar allerlei vragen rond zwarte piet. Gelezen en geluisterd naar professoren van Harvard die praten over morele filosofie en religie.

November was voor mij kortom de maand van de groep, de verandering en het gelijk van de ander. Ik ben in deze maand met mijn aandacht verschoven van het individu en zijn/haar hersenpan naar de groepen en gemeenschappen waarin individuen samenleven. Deze verschuiving ga ik in december doorzetten. Ik ben heel benieuwd wat voor inzichten het me gaat geven!

It’s the most wonderful time of the year

De tijd van het jaar is aangebroken, dat mijn onderzoek ‘hoe verander ik van mening’ voor velen van ons extra actueel wordt. Eind vorige week zaten Amerikanen met elkaar rond de eettafel met Thanksgiving. Sinterklaas is weer in het land. En voor we het weten zitten we te gourmetten met kerst. Hoe houden we al die etentjes gezellig, zonder het echt alleen maar over het weer te hebben?

‘Family toasting at Thanksgiving meal’, uit een artikel van de Huffington Post over de gevreesde discussies aan de thanksgiving-tafel.

Het is een vraag die mij bezig houdt deze dagen. Als heuze ‘meningveranderings’ onderzoeker, wordt mij de laatste tijd steeds vaker gevraagd of ik geen tips en trucs heb. Kom op Marian, heb je nog geen oplossing? Hoe laat ik mijn schoonfamilie zien dat het klimaat echt opwarmt? Hoe maak ik duidelijk aan mijn zus dat Zwarte Piet echt een mooie traditie is die behouden moet blijven? Hoe praat ik nog over het pensioenstelsel, Brexit of Noord Korea?

Ik moet eerlijk zijn, ik weet het nog niet. Ik vind het zelf net zo eng als jullie allemaal. Eerlijk gezegd was mijn vorige blog – die over mijn mening over zwarte piet – een van de spannendste om ooit te plaatsen. Negeren is beter dan ruzie en ellende toch?

Gelukkig heb ik het blog toch geplaatst. En merkte ik dat ik er geen ruzie om kreeg. Alleen maar meer begrip en minder taboe. Sinds het blog, heb ik het over controversiële onderwerpen gehad op professionele meet ups, in de trein met toevallige medereizigers en zelfs – o engste aller enge omgevingen – op een verjaardagsfeestje.

Mijn ervaring? Het kan gewoon, ook al is het spannend. Ik vond het verjaardagsfeestje daarin het meest bijzonder. Ik werd echt oprecht nieuwsgierig bevraagd naar de achterliggende opvattingen en gevoelens rondom mijn mening over zwarte piet. Gewoon, tijdens de taart en net na de cadeautjes.

We werden het over belangrijke punten niet eens op dat feestje. We hebben geen ‘common ground’ kunnen vinden over of zwarte piet nu echt racistisch is, en vooral over hoe je dat dan vaststelt, dat iets racistisch is. Is iets racistisch als iemand zich gediscrimineerd voelt vanwege ras? Of als het racistisch bedoeld is? En wat als daar verschil tussen zit? Wiens gevoel telt dan zwaarder?

Maar we hebben wel hele mooie gesprekken gehad. Bijvoorbeeld over wat een democratie eigenlijk is. Is een democratie ‘de meerderheid beslist’, of is er meer? In hoeverre is afwijkend zijn een grondrecht? Hoeveel ruimte moet een afwijkende mening hebben in een democratie? Hoever moet het recht op demonstratie beschermd worden? Wanneer moet een demonstratie echt niet kunnen? En waarom vinden we dat recht eigenlijk zo wezenlijk, ook als het lastig is?

We hebben samen geproefd aan grootse filosofische onderwerpen. Hoe erg vinden we het als niet iedereen gelijk behandeld wordt? Is discriminatie onder alle omstandigheden onvergefelijk? En zo ja, waar eindigt het dan? Kan dat eigenlijk wel, een wereld zonder discriminatie? Zetten we dan niet alles vast in angst om iets fout te doen?

En hoe zit dat eigenlijk met de rechten van het kind? Hoever moeten we gaan om die te beschermen? Wat zijn de absolute grenzen waar we niet overheen moeten gaan? We hebben allemaal regels over wat een kind op TV mag zien, hoe gaan we daarmee om in ‘het echte leven’?

Al met al was het een bijzondere verjaardag. Die me hoop geeft voor de gourmettafel straks met kerst. Want het kan dus wel, van mening verschillen, oprecht geïnteresseerd zijn in de mening van de ander en tevreden het gesprek afronden, zonder dat er iemand overtuigd is. Omdat je zelf meer geleerd hebt. En de ander ook.

Op TED plaatst Julia Dhar een heuse handleiding om verhitte gesprekken aan de eettafel te overleven. Helaas voor mij, las ik dit pas na het feestje. Gelukkig hebben we een deel van haar ‘regels’ vanuit onze intuïtie wel gevolgd. De regels voor een goed gesprek zijn, volgens Julia:

  • Benoem het conflict. Loop er niet met kousevoeten omheen. Bij ons gebeurde dat doordat iemand vroeg: Marian, wat vind jij eigenlijk van Zwarte Piet?
  • Stel een gemeenschappelijke werkelijkheid vast. Door elkaar te bevragen kun je de ‘gezamenlijke grondregels’ vast stellen. De hele groep vond het belangrijk dat kinderen een leuk sinterklaas feest hebben. De hele groep vond ook dat eieren gooien strafbaar was. Niemand wilde bewust mensen kwetsen. Racisme zou je als samenleving niet moeten willen. We zijn een democratisch land en dat vinden we belangrijk. Binnen deze grondregels waren er genoeg accentverschillen te vinden, en die hebben we ook gevonden. Maar doordat we begonnen met het uitzoeken van onze grondregels, bleven we beter in gesprek.
  • Focus op de inhoud, niet op de mens. De makkelijkste en de lastigste. Want we zijn er zo slecht in om dat te onderscheiden. Iemand met een racistische mening, is dat altijd een racist? Iemand met een ondoordacht standpunt, is die dom? Zijn agrariërs behoudend? Zijn randstedelingen elitair? We zijn zoveel meer dan onze hokjes. Het mooie is dat juist aan het kerstdiner en bij het delen van pepernoten, dit punt haalbaar moet zijn. Kijk maar eens om je heen: deze discussie voer je met je naasten. Je vrienden en kennissen. Mensen waarvan je vrij zeker weet, dat het geen rotzakken zijn, maar oprechte mensen die hun best doen zo goed mogelijk hun leven in te richten.
Julia Dahr’s TED talk
  • Accepteer het feit dat je het fout kan hebben. Ik vind dit nogal een lastige, ik zal eerlijk zijn. Maar laten we eerlijk zijn:als je geen enkele twijfel hebt aan de juistheid van jouw eigen standpunt, dan hoef je het gesprek ook niet te voeren. Dan ben je niet aan het praten, maar aan het vertellen. Het grappige is dat een open houding, ook een goede debating-truc is: minder defensief zijn zorgt dat mensen beter naar je luisteren.
  • Gebruik feiten – spaarzaam. Feiten helpen. Zeker als je met elkaar in een frame zit waarin er ruimte is om naar elkaar te luisteren (zie het vorige punt). Maar wees er voorzichtig mee: gebruik ze alleen als je ze echt hebt. En gebruik er niet te veel, te lang achter elkaar. Te veel feiten spuien werkt vaak averechts.
  • Weet wanneer je moet stoppen. Op het moment dat je merkt dat het gesprek in rondjes begint te  lopen, is de zaak afdoende uitgediept. De meningsverschillen die je nu nog over hebt, zijn niet in dit gesprek te overbruggen. Sluit af, ga naar het volgde onderwerp, of besluit om een rondje drank te halen voor iedereen.

Met deze handleiding in mijn achterzak ga ik de komende tijd op zoek naar het gesprek. Om te oefenen in datgene wat misschien nog wel belangrijker is dan van mening veranderen: op een goede manier van mening verschillen en het daar over hebben.